donderdag 9 oktober 2014

Puck.



Deze week was er een programma op de televisie, over Puck. Puck is een jongen van 15 die ontzettend goed kan programmeren. Hij doet mee aan allerlei wedstrijden en je ziet hem in de film op ontdekkingstocht gaan naar programma’s en applicaties. Voor hem geweldig mooie puzzels, die je kunt ontleden, weer helemaal opnieuw in elkaar kunt zetten en kunt verbeteren.
School is saai, zeker vergeleken met het walhalla van Google, waar hij en zijn familie wordt uitgenodigd. Maar er is ook belangstelling voor hem van andere internetgiganten.
De film was een mooie schets van zijn avonturen. Een optreden in Stockholm bijvoorbeeld, als hij nog maar 11 jaar is. Een scene waarin hij als 3-jarige het woord ‘opa’ typt en de letters vergroot. Verder veel schermen weerspiegeld in zijn brillenglazen en slanke vingers die razendsnel het toetsenbord bedienen.
Ik was nieuwsgierig naar de ervaringen van zijn ouders. Je ziet hen wel in beeld maar je hoort hen verder niet. Hoe moet je zo’n wonderkind opvoeden? Hoe ga je om met zo’n speciaal talent? Het leek er op dat ze Puck alle ruimte gaven. Zijn talent kon zich ontplooien doordat er computers in huis waren en zijn ouders hem kennelijk heel vrij hebben gelaten om van alles te onderzoeken.
In de VPRO-gids zegt zijn moeder: “Ik heb moeten leren niet mijn eigen normen en waarden op hem te leggen. Op de kleuterschool kwam de juf al naar me toe dat het zo zielig was dat Puck in zijn eentje in de zandbak zat. Maar hij koos daar zelf voor (…). Ik zie nu in dat hij een prima geslaagd exemplaar is zoals hij is”.
Het is fijn als je tot zo’n conclusie kunt komen.  Dat je kind mag zijn zoals hij is en dat dat helemaal goed is. Puck lijkt zo op het oog ook heel tevreden met zijn speciale leven. Je ziet de kick die hij heeft als hij weer een raadsel heeft opgelost.
Maar hebben zijn ouders nooit dilemma’s ervaren? In hoeverre moet je je kind leren om zich aan te passen aan de maatschappij? Of hoeft dat helemaal niet? Of sluit het één het ander niet uit?.
Het zijn vragen die bij mij opkomen als ik naar Puck en zijn ouders kijk. Ik ben natuurlijk geen neutrale toeschouwer. Ik ben ook moeder. Mijn kind is zeker geen wonderkind, maar wel, net als Puck, een buitenbeentje. Pelle zat nooit in een zandbak, maar had als kleuter totaal geen contact met andere kinderen. Hij was altijd aan het steppen, op het speelpleintje. Nu is hij 9, en nog steeds is hij heel bijzonder. In hoeverre respecteer ik dat? En in hoeverre probeer ik, bijvoorbeeld met de doelen die we hier thuis voor hem opstellen, om hem zo beïnvloeden dat hij wat minder speciaal wordt? In de overtuiging dat hij het dan wat makkelijker zal krijgen, later. Dat hij wat meer aansluiting zal vinden bij de mensen om hem heen.
Ik blijf dat lastig vinden. Ik wil hem niet in een keurslijf duwen waarin hij niet past, maar ik zie het ook als mijn taak om hem voor te bereiden op een toekomst waarin hij als volwassene moet functioneren in een maatschappij die heel veel van mensen vraagt.  Een maatschappij die steeds minder zorgzaam wordt, lijkt het en waar in bijvoorbeeld het onderwijs steeds minder ruimte is voor diversiteit.
Waar ligt de balans tussen eigenheid en aanpassing? Daar is geen definitief antwoord op te geven. Wat ik wel kan doen, is me bewust worden van mijn eigen waarden en me afvragen in hoeverre die ook van belang zijn voor mijn kind. En me spiegelen aan andere ouders. Misschien dat daar nog eens een programma over kan worden gemaakt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten